Algemene wijzigingen in de loon- en inkomstenbelasting
-
De ogenschijnlijk marginale verhoging in de eerste en tweede schijf van (box
1 van) de inkomstenbelasting blijkt deels te worden gefinancierd uit een
verlaging van zowel de Algemene heffingskorting als de Arbeidskorting;
-
Mensen die in een jaar 62 worden en werken, ontvangen de zgn. doorwerkbonus
die als heffingskorting via de aanslag inkomstenbelasting wordt toegekend.
Echter, vanaf 1 januari 2010 wordt voor mensen van 61 jaar en ouder het loon
uit de levensloopregeling aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking.
Hierdoor bestaat er geen recht op de doorwerkbonus;
-
Uitgaven voor kosten van levensonderhoud voor kinderen jonger dan 30 jaar
zijn aftrekbaar als voor het kind geen recht bestaat op kinderbijslag
ingevolge de AKW en het kind geen recht heeft op studiefinanciering. De
Belastingdienst heeft aangekondigd bij de IB-aangifte over 2009 extra
aandacht te besteden aan de opvoer van deze uitgaven;
-
Vanaf 1 januari 2010 geldt er een uniform loonbegrip voor zowel de
loonheffingen als de werknemersverzekeringen, met het loon voor de
loonbelasting/volksverzekeringen als uitgangspunt. Echter, op het uniform
loonbegrip geldt een groot aantal uitzonderingen;
-
De vrijstellingsbedragen van box 3 worden in 2010 niet geïndexeerd. Vanaf
2010 kunnen partners slechts de gezamenlijke grondslag voor sparen en
beleggen naar keuze onderling verdelen. Voorheen bestond deze
keuzemogelijkheid per vermogensbestanddeel.
Wijzigingen in de Eigen woning regeling
-
Per 1 januari 2009 was het maximum voor het Eigenwoningforfait (EWF) al
komen te vervallen. Per 2010 geldt bovendien voor woningen met een WOZ boven
de € 1.010.000 een extra EWF bijtelling van 0,8%. Deze laatste factor wordt
in 7 jaar tijd verhoogd naar 2,35% (in 2016);
-
De verjaringstermijn voor de eigenwoningsreserve is per 1 januari 2010
gesteld op 3 jaar (was 5 jaar). Hierdoor is de bijleenregeling minder vaak
van toepassing;
-
De goedkoperwonenregeling als uitzondering op de bijleenregeling, geldt bij
verhuizen naar een goedkoper huis. Als hoofdregel geldt dat voor het nieuwe
huis geen renteaftrek mogelijk is tot het bedrag van de overwaarde die is
behaald bij de verkoop van het oude huis. Maar vanaf 2010 moet ook degene
die goedkoper gaat wonen de volledige overwaarde meenemen in de nieuwe eigen
woningschuld;
-
Vanaf 2010 geldt ook voor doorstromers, net als voor starters op de
woningmarkt, dat zij de rente mogen aftrekken over de lening die is
aangegaan om bepaalde kosten te betalen die samenhangen met de hypotheek,
zoals afsluitprovisie, notariskosten en taxatiekosten.
Aanpassing in de sociale zekerheid: AOW en oudedagsvoorzieningen
-
Op 2 december 2009 is het wetsvoorstel ‘verhoging AOW‘ bij de Tweede Kamer
ingediend. Het wetsvoorstel voorziet in een verhoging van de AOW-gerechtigde
leeftijd naar 67 jaar. Voor mensen die zijn geboren vóór 1955 verandert
niets, zij kunnen op 65-jarige leeftijd met de AOW. Mensen geboren in of na
1955, maar vóór 1960, kunnen op 66 jaar met de AOW en mensen geboren in of
na 1960 kunnen op 67 jaar met de AOW;
-
In hetzelfde wetsvoorstel worden ook wijzigingen voorgesteld in de tweede en
derde pijler. Zo wordt de pensioenrichtleeftijd gesteld op 67 jaar en de
maximale opbouw per jaar voor het OP wordt verlaagd naar 1,9% (eindloon) en
2,15% (middelloon). Aan de hand van een cijfermatig voorbeeld toont Kapé
Breukelaar duidelijk aan wat de gevolgen zijn van deze ‘knip’, namelijk meer
betalen voor hetzelfde pensioen;
-
Premies voor lijfrenten komen voor aftrek in aanmerking op het tijdstip
waarop deze zijn betaald of verrekend. De terugwentelingstermijn van drie
maanden voor de jaarruimte is per 1 januari 2010 vervallen. Dit betekent dat
in het eerste kwartaal van 2011 betaalde premie niet meer kan worden
teruggewenteld naar het belastingjaar 2010;
-
In 2010 wordt een nieuwe bankspaarvariant geïntroduceerd: het bancaire
loonstamrecht. Een bancair loonstamrecht heeft een specifiek voordeel boven
een verzekerd loonstamrecht: de begunstiging wordt niet beperkt. Bij
stamrechtbanksparen kan het recht op uitkeringen overgaan op de wettige
erfgenamen.
Schenk- en erfbelasting
-
De vernieuwde Successiewet (SW) is per 1 januari 2010 van kracht. Hiermee
zijn ook de begrippen ‘successierecht’ en ‘schenkingsrecht’ verdwenen en
vervangen door ‘erfbelasting’ en ‘schenkbelasting’;
-
In het kort: de vrijstellingen zijn verhoogd, er zijn minder tariefschijven
en de tarieven zijn verlaagd. Bovendien zijn de zgn. drempelvrijstellingen
verdwenen en kennen we alleen nog voetvrijstellingen;
-
Daarnaast worden de bedrijfsoverdrachten zowel bij leven als bij overlijden
goedkoper;
-
Vanaf 1 januari 2010 is de definitie van “partner” aangescherpt. Echtgenoten
en geregistreerde partners worden zonder meer als partner aangemerkt, maar
ongehuwd samenwonenden dienen aan een aantal voorwaarden te voldoen om als
partner te worden aangemerkt;
-
Voor de hoge vrijstelling van erfbelasting bij korter dan vijf jaar ongehuwd
samenwonen, geldt dat de wederzijdse zorgplicht moet worden vastgelegd in
een notarieel samenlevingscontract. Hiervoor geldt een gedetailleerde
overgangsregeling;
-
Voor de hoge vrijstelling van erfbelasting bij vijf jaar of langer ongehuwd
samenwonen, geldt een gemeenschappelijke huishouding op hetzelfde adres
(GBA);
-
De minimum samenwoonperiode is:
o Voor de schenkbelasting: twee jaar;
o Voor de erfbelasting: zes maanden.
-
(Groot)ouders en (klein)kinderen die samenwonen, kunnen niet als partners
kwalificeren, tenzij in het kader van mantelzorg.